Vervolgonderzoek groep Bastiaans- Nout

De groep Nout/Bastiaans/Roeske en de kring rond Kap. Chr. van den Berg        dd 17 jan. 2022

  1. De groep Nout/Bastiaans/Roeske en de aanslag op Stellbrink; gevolgen

Al in het begin van de oorlog, direct na de capitulatie, begon Luitenant Johan Nout in Den Haag met het ‘veiligstellen’ van wapens voor de Ordedienst. Nout werkte bij het Afwikkelingsbureau, als chef personeelszaken bij de garage in de Muzenstraat. Hij verborg een grote hoeveelheid wapens via de Wassenaarse politie-inspecteur Fogteloo. Dit werd door de Duitsers ontdekt. Johan Nout en Fogteloo werden beiden gearresteerd en stonden terecht in het 1e OD-proces.

Johans broer Albert Nout, Luc Honselaar (chauffeur garage Muzenstraat), diens vriend Gerard Bastiaans met zijn broer Henk Bastiaans en ook Bill Roeske waren betrokken bij de illegale activiteiten van Johan Nout. Na de arrestatie van Johan in april 1941 bleven zij actief. Albert Nout smokkelde bv. informatie van Johan (een organisatieplan voor de OD) uit de gevangenis en gaf dit aan OD-kapitein Latuperisa. En zij maakten samen met deze Latuperisa en met Tonny van Renterghem (ook OD-kaderlid, bij wiens ouders in Amsterdam Henk Bastiaans een tijdlang ondergedoken had gezeten), plannen om Johan te bevrijden uit het Oranjehotel. Dat lukte niet; Johan Nout en Fogteloo stonden beiden terecht in het 1e OD-proces. Johan werd gefusilleerd en Fogteloo afgevoerd naar Duitsland.

Bill Roeske had inmiddels ook contact met Frits van der Schrieck en een aantal mensen in diens netwerk (o.a. Willem ’t Hart, Dick Groeneveld), o.a. over een poging om Sjoerd Nauta te bevrijden. In die groep rond Van der Schrieck/Nauta was medio 1941 geconstateerd dat er een verrader actief was, een zekere Gé Stellbrink. Geconcludeerd was, dat het absoluut nodig was om Stellebrink te liquideren. Daarvoor werden verschillende plannen gemaakt; in het najaar van 1941 werd Albert Nout via Bill Roeske hierbij betrokken.

Albert Nout had eerder al aan Latuperisa gevraagd om zijn groepje, met o.a. Bill Roeske, op te nemen in de Ordedienst, om wapens aan hen beschikbaar te stellen en om de groep te bekostigen. Latuperisa had vervolgens aan Schimmelpenninck (leider OD) gemeld, dat hij een terreurgroep o.l.v. Albert Nout gevonden had. Deze groep zou bereid zijn voor 10.000 gulden iemand te vermoorden. Voor dat geld zou Albert Nout dan weer wapens kopen. Latuperisa zou vervolgens tegen Nout gezegd hebben dat de OD de groep niet direct wilde bezoldigen, maar dat zij zich eerst moesten bewijzen.

Op 14 oktober 1941 pleegde het groepje in Haarlem een aanslag op de hiervoor genoemde Gé Stellbrink. Naast Bill Roeske en Albert Nout waren hierbij in ieder geval ook Gerard Bastiaans, Henri Pieter Drenth en Dick Groeneveld betrokken. Deze laatste maakte deel uit van de kring rond Sjoerd Nauta/Frits van der Schrieck; hij was na de arrestatie Sjoerd Nauta in aug. 1941 naar Den Haag gekomen. Wellicht heeft ook Luc Honselaar een rol gespeeld, idem Hans Smits (zie later, samenstelling groepje gefusilleerden).

De aanslag op Stellbrink

Bill Roeske wil drie pistolen aanschaffen via Latuperisa, die kan ze echter niet leveren. Sjoerd Nauta (gevangen in Oranjehotel) regelt dan dat er een pistool wordt afgeleverd bij Bill Roeske. Op 14 oktober 1941 rijdt een groepje mannen met Dick Groeneveldt, Bill Roeske en Albert Nout naar de Schotersingel 147 in Haarlem. Via Henri-Pieter Drenth, een Haagse chauffeur die actief is in het verzet, kunnen ze een auto lenen van de Wehrmacht. Tevoren heeft Gijs de Jong (uit het netwerk Van der Schrieck) telefonisch een afspraak gemaakt met Gé Stellbrink (alias ‘Willemsen’), om zeker te weten dat Stellbrink daar die avond zou zijn.

Roeske, Nout en Groeneveldt gaan naar binnen. In plaats van Stellbrink alleen treffen zij nog twee anderen aan, waarvan één ‘de Groot’ heet (in werkelijkheid: De Jong). De derde man blijkt achteraf Piet Rothert te zijn (alias ‘Karelse’). Bij de schietpartij die volgt, worden De Jong, Stellbrink en Rothert getroffen. De Jong is de enige die terugschiet. Roeske wordt in het zitvlak en Groeneveldt in zijn arm geschoten. De drie daders vertrekken dan. Roeske wordt door Gerard Bastiaans naar diens zwager Richard Diks in Loosduinen gebracht, en vervolgens naar een betrouwbare arts. Wie Groeneveldt’s arm het eerst verbindt is niet bekend, later heeft Dr Krediet uit Wassenaar hem geregeld verbonden.

De gevolgen van de aanslag, ver weg in Limburg

Stellbrink en Rothert herstelden, maar Stellbrink was door deze gebeurtenissen zijn dekmantel in het westen kwijt en werd in juli 1942 naar Limburg overgeplaatst. Ook daar speelde hij een grote en gevaarlijke rol als infiltrant in verzetskringen, samen met de eveneens uit de Randstad afkomstige Jos Hoosemans (die zich van de schuilnamen “Oncle Max” en “Oncle Jean” bediende). Nicolaas Erkens (alias ‘Van der Maas’) had vanuit Rotterdam en ook in Limburg een verzetsgroep (‘Roodkapje’) opgericht. Hij had in Limburg en het grensgebied met België samen met groep Clarence (een Limburgse/Belgische verzetsgroep) en groep Luc (een Belgische verzetsgroep) een pilotenlijn opgezet, waarlangs tot in de herfst van 1942 enkele honderden personen vanuit Nederland naar Frankrijk ontsnapten. Het resultaat van de infiltratie door Stellbrink en Hozemans was het zgn. “Hannibalspiel”, waarbij deze drie groepen in november 1942 werden opgerold.

Het vervolg en de gevolgen van de aanslag, in Den Haag e.o.

Na de aanslag in Haarlem zou Latuperisa (volgens Albert Nout) ervoor hebben ingestaan dat de groep zou worden opgenomen in de Ordedienst. Maar hoe dan ook moesten de mannen zich na de aanslag schuilhouden. Zij doken onder, voor kortere of langere tijd. Bill Roeske en Albert Nout via Adriën Moonen, Gerard Bastiaans bij familie in Willemsoord (De Pol).

Bij de arrestatiegolf na de wapendropping in Hooghalen, in februari 1942 (zie hieronder, de tekst over Kap. Van den Berg), werden ook de betrokkenen bij de aanslag op Stellbrink allemaal opgepakt. Hans Smits op 25 maart, Gerard Bastiaans (samen met zijn broer Henk en met Luc Honselaar) op 30 maart, Groeneveld ook in maart en Drenth op 8 april. Roeske ontsprong de dans nog even, maar werd ingerekend bij een poging om te ontvluchten met een boot vanuit IJmuiden op 18 mei (zie het artikel hierover op de pagina ‘Nieuws’ van deze website).

Albert Nout, Roeske, Groeneveldt, Drenth, Gerard Bastiaans en Hans Smits stonden allen in december 1942 terecht voor het Feldgericht Luftgau Holland in het HvB Gansstraat Utrecht; dit proces was van 5-9 december. De processtukken zijn verloren gegaan, maar het is aannemelijk dat hun veroordeling en daaropvolgende terechtstelling (mede) te maken had met de gepleegde aanslag op Stellbrink in Haarlem. Zij werden gefusilleerd op 5 februari 1943 op de Leusderheide, m.u.v. Drenth. Deze werd i.v.m. ziekte later gefusilleerd, op 24 juni 1943, samen met een aantal verzetslieden (deels uit het netwerk van Van der Schrieck) die bij een andere liquidatie betrokken waren; dat betrof de liquidatie van Izaak Daane, verrader van de Van Niftrickroute.

Vier dagen voor de arrestatie van Hans Smits werd ook Marinus Smits, de vader van Hans Smits, op 21 maart 1942 aangehouden (zie het artikel over Hans Smits op de page ‘Nieuws van deze website, aangepast dd 16-1-2022). Of er een relatie is tussen zijn arrestatie en die van zijn zoon Hans, is niet duidelijk. Marinus overleed in Kamp Vught, 4 dagen voordat Hans gefusilleerd werd.

II             Kap. Chr. van den Berg: spionage, knokploegjes, wapens en verraad

Inmiddels was kap. Chr. Van den Berg in de zomer van 1941 (dus nog vóór de aanslag op Stellbrink) actief geworden binnen de Ordedienst. Hij was geworven door Van Wijhe, die afkomstig was van het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF). Na de fusie van de OD met het LOF medio 1941 werd Van Wijhe aan Riep toegewezen als ‘Nachrichenleiter’ en kreeg hij van Riep de opdracht om leden te werven en om kleine verzetsgroepen aan te sluiten bij de OD.

Chr. van den Berg werd, na een gesprek met Velu (van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD), aangesteld als inlichtingenofficier binnen de OD. Hij kwam in december 1941 in contact met Walter Teller en via deze met de in november 1941 gedropte geheim-agenten Huub Lauwers en Thijs Taconis. Van den Berg kreeg via hen vanuit Londen opdracht om geschikte locaties voor wapendroppingen te zoeken, en om kleine groepjes van 8 mannen samen te stellen en op te leiden voor de uitvoering van sabotage- en springstoffenacties. Die sabotagedaden zouden vooral gericht moeten zijn op spoorwegverkeersknooppunten, oorlogsindustrie en belangrijke militaire locaties.

(Leden van) de groep Albert Nout/Bastiaans/Roeske/Honselaar namen na de aanslag op Stellbrink contact op met Van den Berg om zich bij hem aan te sluiten (zie ad I). Bij deze groep was inmiddels ook Hans Smits aangehaakt (onduidelijk is wanneer). Hans was o.a. bezig met sabotagemateriaal zoals buisjes met explosieve stoffen, die voor hem werden bewaard door Luc Honselaar en Henk Bastiaans. En Hans zou al eerder een sabotagegroepje hebben gehad; in één van de Anklagen in het 2e OD-proces wordt over zijn ‘Molgroep’ gesproken. Hans vertelde in december 1941 aan Luc Honselaar dat hij een sabotagegroepje wilde oprichten en vroeg of dit kon onderbrengen bij Kap. Van den Berg. Van den Berg zou zich daartoe bereid hebben verklaard.  

Het is onduidelijk in hoeverre Van den Berg erin geslaagd is om daadwerkelijk vóór zijn arrestatie in maart 1942 een netwerk van dergelijke sabotagegroepjes op te richten. Ruud Bierman, die in de zomer van 1941 door Van den Berg naar Den Haag was gehaald om daar binnen de OD actief te worden, vertelde na de oorlog dat hij in een knok- of sabotagegroepje van Van den Berg zat. Zij werden ‘opgeleid om te doden zonder wapens’ en zouden hebben geoefend in zwembad de Regentes in Den Haag. Bierman spreekt over de groep ‘Pieterse’. Hiervoor zijn verder geen bronnen gevonden. Wel wordt in het vonnis van Van den Berg ‘een zekere Pietersen’ genoemd, die hem in december 1941 opzocht en in verbinding bracht met een Teller. Het is niet onwaarschijnlijk dat het hier een schuilnaam betreft; Bierman vertelde over een groepje waarin hij kwam, waarin iedereen zich voorstelde als ‘Pieterse’…

Van den Berg zelf verklaarde in zijn proces, dat hij verschillende mogelijkheden had om die sabotagegroepjes van 8 man samen te stellen. Hij beschikte over een geschikt netwerk van personen binnen de OD, en kon ook voormalige militairen benaderen hiervoor. Hij had daar echter nog geen stappen voor ondernomen, zei hij. De enige die hij al in beeld had, voor de groep in Den Haag, was elektromonteur Bierman. Hij zou wachten op nadere aanwijzingen van Lauwers en Taconis.

Onduidelijk is dus, of het groepje dat de hiervoor genoemde aanslag op Stellbrink in Haarlem heeft gepleegd en Hans Smits daadwerkelijk als knokploegje ‘aangehaakt zijn’ bij Van den Berg en door hem getraind of gebruikt zijn.

Spionage en inlichtingen

Van den Berg is in ieder geval ook actief aan de slag gegaan met spionage en met het zoeken van geschikte locaties voor wapendroppingen. Henk Bastiaans noemde in dat kader in zijn verklaringen na de oorlog (naast de al genoemde mannen van de ‘liquidatieploeg’) o.a. Van Wijhe, Luc Honselaar, Bierman en George Elders in zijn groep onder Van den Berg. En Bierman noemde naast de gebroeders Bastiaans en Honselaar ook Teller. Ze verzamelden gegevens, die voor de geallieerde oorlogvoering belangrijk waren. Deze informatie werd door Huub Lauwers via de radio naar Engeland verzonden.

Van den Berg heeft in de periode eind 1941 of begin 1942 inderdaad informatie aan Lauwers doorgegeven om naar Engeland te zenden, deels via Teller. Het zou om drie of vier berichten gaan, van militaire, economische en/of politieke aard. Daaronder een kleine schets van een barakkenkamp ten noorden van Wassenaar, Maaldrift, met daarop ingetekend schijnwerpers en een autoreparatie-plaats. Hij heeft ook Van Wijhe een keer naar de haven van Schiedam gestuurd om vast te stellen, of daar het Duitse oorlogsschip ‘Prins Eugen’ lag. Ook dat bericht was bestemd voor Engeland.

En Van den Berg is, conform opdracht uit Engeland, op zoek gegaan naar geschikte locaties voor wapendroppingen. Hij vond samen met Bierman een geschikt gebied in Drenthe, bij Hooghalen. Bierman kende dat gebied heel goed, hij had daar totdat hij naar Den Haag ging bij de Arbeidsdienst gewerkt. Samen reden zij erheen om de exacte locatie uit te zoeken. Zij onderzochten de bodemgesteldheid en legden, terug in Den Haag, de exacte gegevens van de droppingslocatie vast op de stafkaart van Assen. Die gegevens gaf Van den Berg aan Lauwers, die ze naar Engeland zond. Hiermee was de voorbereiding van de wapendropping in Hooghalen gestart. Bierman benaderde enkele mannen in het Opbouwkamp in Hooghalen, die hij goed kende en vertrouwde, om te helpen bij het veiligstellen van de te droppen wapens en explosieven. En Van den Berg sprak erover met Ridderhof, een medewerker van zijn verzetsgroep die hij volkomen vertrouwde …

De wapendropping bij Hooghalen

In overleg met Engeland wordt het tijdstip vastgesteld: de nacht van 26/27 februari 1942 om 01:00 uur. Een ontvangstploeg wordt samengesteld, bestaande uit Van den Berg zelf, agent Thijs Taconis, Rudolf Bierman en de 2 mannen uit Hooghalen: Th. Schols en C. van der Vossen. Van der Berg en zijn mannen rijden erheen. Die nacht komt een vliegtuig vanuit Engeland; eerst richting Ermelo, waar agent Georg Dessing per parachute in de buurt van Ermelo wordt afgezet. Daarna vliegt men verder op koers 450 richting Meppel en de kruising van de spoorlijn Hoogeveen-Assen met het Oranjekanaal. Het weer is gunstig: goed zicht, heldere maan en oostenwind.

De ontvangstploeg heeft zich intussen verzameld aan het eind van de Paradijsweg in Hooghalen en vandaar nemen ze posities in op het oostelijker gelegen afwerpterrein. Omstreeks 01:00 uur hoort de ploeg op de grond een zacht motorgebrom vanuit het zuidwesten. Ze markeren met lampen de landingsplek en geven de afgesproken lichtsignalen af. Een container wordt afgeworpen, waarna het vliegtuig in een steile linkerbocht naar Engeland wil terugvliegen. Echter, er had nog een tweede container afgeworpen moeten worden. Het vliegtuig vliegt terug en gooit deze op grotere hoogte af.

De ploeg op de grond bergt de eerste container en brengt deze onder in een nabijgelegen schuur. Maar de tweede container wordt niet geborgen. Waarschijnlijk heeft de ploeg deze niet gezien of niet kunnen vinden. Later wordt de tweede container door George Ridderhof met een vrachtwagen opgehaald en naar Arnhem gebracht. De Abwehr neemt daar echter de wapens in beslag.

Verraad en arrestaties; Englandspiel

Deze Ridderhof was een contact van Kap. Van den Berg, een man die door hem volkomen vertrouwd werd en waarmee hij veel besprak. In werkelijkheid was Ridderhof, net als Stellbrink, een zg V-man (‘Vertrauungsmann’) van de Abwehr, de Duitse contraspionage. Alles werd dus doorgegeven aan Hermann Giskes, chef van Referat III F van de Abwehr. Giskes wist inmiddels genoeg en greep in; er volgde een grote arrestatiegolf.

Huub Lauwers werd op 6 maart 1942 in de woning van Wouter Teller gearresteerd. Onder druk van de Abwehr besloot hij met hen mee te werken en gaf (valse) berichten door naar Engeland. Hij liet bewust de afgesproken securitycheck weg, maar dit werd in Engeland genegeerd. Of dit in Engeland een fatale fout was of bewust gebeurde, is nog steeds niet helder. In ieder geval vielen alle latere droppings (agenten en materiaal) in handen van de Duitsers. De meeste gedropte agenten hebben dit niet overleefd. Dit is later bekend komen te staan onder de naam “Englandspiel”.

Ook Teller werd op 6 maart opgepakt, en een dag later Rudolf Bierman, in de woning van Jo van Wijhe aan het Calandplein 24 in Den Haag (waar hij een half jaar ondergedoken heeft gezeten). Eveneens op 7 maart werd kapitein Chr. van den Berg gearresteerd. In Hooghalen werden Van der Vossen en Schols op 11 maart aangehouden. Op 30 maart de gebroeders Bastiaans, in hun ouderlijk huis Hobbemaplein 10, samen met Luc Honselaar. Wapens die in dat huis verborgen waren konden gelukkig worden veiliggesteld, vertelde Henk Bastiaans later. George Elders werd op 31 juli 1942 bij zijn arrestatie doodgeschoten op de Oranjelaan in Den Haag. En ook Van Wijhe bleef niet op vrije voeten; hij werd aangehouden op 30 augustus.

Al deze mannen (niet dus de mannen van de aanslag op Stellbrink; die waren in december 1942 in een afzonderlijk proces berecht) stonden terecht in het 2e OD-proces in maart/april 1943. Van den Berg werd ter dood veroordeeld en gefusilleerd; de anderen werden ‘abgetrennt.’

Bronnen:

  • het boekWel gebogen, niet gebroken” en de daarin genoemde bronnen
  • Anklagen 2e OD-proces en Urteil Van den Berg 2e OD-proces
  • boek “De onzichtbare musketier”, Frits van der Schrieck 
  • www.oorlogsbronnen.nl en diverse andere openbare digitale bronnen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.